Aan het einde van de weg staat Hotel Perdu. Er brandt licht. Het is een komen en gaan van bizarre personages: een eenzame linkerschoen hupt onhandig naar binnen, de jongen die altijd wordt overgeslagen houdt de deur open voor een overbodig geworden typemachine. In de lobby slaat de receptionist zijn arm om een gekrompen trui en checkt hem in. Uit de lift stapt een verloren knuffel met zijn nieuwe eigenaar, zij verlaten tevreden het hotel. Hotel Perdu heeft altijd plek voor wie iets uit te zoeken heeft. Verloren mensen en verweesde objecten kunnen zich hier melden bij de receptionist, die elke taal spreekt en elk verdriet begrijpt. Maar het hotel wordt bedreigd in zijn voortbestaan. De receptionist ontvangt steeds meer verontrustende brieven en telefoontjes van de gemeente. Ze willen op de plek van het hotel liever een parkeergarage bouwen. En dat zorgt voor de nodige onrust...