Vanuit hun jeugdige scoutingervaring schrijven Drost en Kant een spannend en eigenzinnig verhaal over twee padvinders: Akela en Hopman. Zij staan aan het hoofd van een tentenkamp vol padvinders en padvindsters. Hier heersen orde, reinheid en gezonde moraal. Dit tentenkamp in het bos is het laatste bastion van de beschaafde wereld. Met vrolijkheid en fierheid houdt het tweetal de moed erin. Kampvuur, hangtoilet en platte knoop blijken onontbeerlijk ter overleving. Een gezang klinkt door de wouden. Want gezongen wordt er, en ook nog meerstemmig. Maar de voortdurende dreiging vanuit het bos komt steeds dichterbij.